
Arthur en Bertha (Betty) Heidenheim waren Duits-Joodse vluchtelingen die in 1937 naar Nederland waren geƫmigreerd met hun jongste zoon Dieter. Hun twee oudere zoons, Otto en Bruno, hadden zij al naar Afrika gestuurd, toen de Joden het in de jaren dertig in Duitsland steeds lastiger kregen. Zij woonden aan de Margriete van Clevelaan 10 in Amstelveen, vlakbij Johan en Di Benders en raakten met hen bevriend. Dieter Heidenheim was aan het begin van de oorlog met een roeiboot naar Engeland ontkomen en kwam vanuit daar uiteindelijk in Canada terecht. Zijn ouders hadden minder geluk. Joden moesten zoveel mogelijk bij elkaar gaan wonen om ze daarna gemakkelijker af te kunnen voeren. In oktober 1941 kregen Arthur en Betty daarom gedwongen inwoning en op 12 mei 1942 moesten zij naar Amsterdam. In juni 1943 zijn ze op transport gesteld naar Westerbork. Johan en Di Benders kregen hun eigendommen in bewaring. Vanuit Westerbork stuurden Arthur en Betty Heidenheim nog een brief naar hun vrienden. Di Benders heeft hun juwelen verkocht om een zegel voor 66.000 gulden te kopen waardoor ze in Westerbork konden blijven. Zij stuurde ze ook twee voedselpakketten per week. In februari 1944 werden ze op eigen verzoek naar Theresienstadt gestuurd, omdat ze dachten dat vanuit daar niemand gedeporteerd zou worden. Ook daar ontvingen ze voedselpakketten van Di Benders. Op 18 mei 1944 werden zij naar Auschwitz getransporteerd en daar zijn zij op 7 juli vermoord.
De familie Benders heeft de kleding en de spullen die ze achterlieten, gegeven aan mensen die niets meer hadden, zoals terugkerende Joden na de oorlog.
Bron: Mart Benders, Leraar in oorlogstijd