AMV 80jaar vrijheid logo hr 1 002Fie van Doorn 3

Sophie van Doorn (Mies)

Sophie (Fie) van Doorn werd geboren op een boerderij in Wilnis. In een gereformeerd meisjesblad las zij een advertentie van de heer Nooter uit Amstelveen, die tijdelijk een huishoudelijke hulp zocht voor zijn zieke vrouw. Fie kwam naar Nieuwer-Amstel en woonde in bij de familie Nooter, eerst aan De Surmontstraat, later aan de Van der Veerelaan. Uiteindelijk zou Fie 16 jaar bij de familie blijven.

Meteropnemer Arie Blokland kwam bij de familie Nooter thuis en vroeg haar of ze niet iets in het verzet wilde doen. Onder de schuilnaam ‘Mies’ werd zij koerierster voor het verzet en bij de familie Nooter kwamen – vaak joodse – onderduikers in huis. Vanuit haar christelijke overtuiging was helpen heel gewoon. “Ik help graag mensen”, zo verklaarde zij in 1995. “Je rolde van het één in het ander.” Een organisatie was er niet. In haar omgeving waren de verzetsmensen allemaal gelovigen van de Pauluskerk, die taken op zich namen.

Regelmatig bracht Arie Blokland onderduikers, soms waren er wel zes of zeven tegelijk. Ook de latere wethouder Ben Goudsmit heeft een tijdje bij de familie Nooter ondergedoken gezeten. Het ging altijd goed, ook al waren er soms hachelijke situaties. Zo stond Fie eens vis te bakken, terwijl de onderduikers in de rij stonden met hun bord. Een politieagent kwam op de lichtkier af en stond in de keuken. De agent begreep de situatie en waarschuwde dat ze voorzichtiger moesten zijn. Ook de buurvrouw waarschuwde een keer toen enkele – duidelijk als joods herkenbare – onderduikers voor het raam zaten.

De zorg voor zoveel onderduikers was niet eenvoudig. Fie ging regelmatig op de fiets eten halen, in Wieringerwerf (een tocht van acht uur) of bij haar ouders in Wilnis.

Regelmatig kreeg Fie een boodschap om iets te doen of werd ze gevraagd om onderduikers bij razzia’s van de ene op de andere plek te brengen. Vaak bracht ze onderduikers naar boer De Groot aan de Amstelveenseweg, waar continu meer dan tien onderduikers waren, of naar koster Sijtsema van de Pauluskerk. “Je liet ze altijd een eind achter je lopen, met het oog op de mogelijkheid dat je gepakt werd.” In het huis van de koster verbleven onderduikers. Vanuit dit huis kon je via een luik in de kelder van de Pauluskerk komen. Onder de preekstoel was de kelder het diepst en hier was een schuilplaats ingericht, waar onderduikers in geval van nood konden zitten.

Bij de familie Nooter thuis zette Fie regelmatig een kaartje ‘besmet gebied’ voor het raam. De Duitsers waren bang voor besmettelijke ziekten en sloegen het huis dan tijdens razzia’s over. Een dergelijk bordje met de tekst roodvonk hielp ook tegen de vordering van dekens door de Duitsers aan het eind van de oorlog. Overigens haalden mensen waarvan de deken gevorderd was, deze regelmatig weer van de kar, wanneer de Duitsers in een volgende woning waren. De voerman kneep een oogje toe. “We hebben ons krom gelachen”, zei Fie hierover.
Heel moeilijk vond ze het oppakken van mevrouw Riek Blokland-Pater op 4 februari 1944. De Duitsers kwamen naar het huis van Arie en Riek Blokland aan de Heemraadschapslaan om Arie op te halen. Hij was niet thuis en de Duitsers zouden over een half uur terugkomen. Fie ging haar halen, maar Riek Blokland wilde niet mee. Later werd zij meegenomen door de Duitsers en is niet meer teruggekomen. De on-derduikers in hun huis vonden ze niet.

Met de bevrijding viel er veel van haar af. “Eerst kon ik het niet bevatten, ineens holden de onderduikers de straat op en riepen: “Vrij… vrij … vrij.Het duurde wel een dag voordat het goed bij me doorwerkte, het woord VRIJ.” Na de bevrijding merkte ze dat de band met de personen waar ze nauw mee had samengewerkt in de oorlog verwaterde, het was niet meer nodig. Met de joodse onderduikers groeide een relatie, die de oorlog overleefde. 

Bronnen: Oorlog, verzet, bevrijding, De Pauluskerk in de jaren ‘40/’45, blz. 16-21; interview Sophie van Doorn voor het boek Jaren van Verduistering.